Gezin poserend voor de ger in Mongolië

Flessen op de steppen

Tekst en beeld Stefan Maas

Don’t underestimate the need to be selfsufficient, waarschuwde een Amerikaanse fietser toen ik hem om informatie vroeg over fietsen in Mongolië. Dat had hij net zo goed tegen dovemansoren kunnen zeggen.

Tijdens de voorbereiding op een trip over de Aziatische steppen stapelde ik fout op fout. En dan zit je uiteindelijk ergens in het midden van nergens met weinig water en nauwelijks voedsel, terwijl je je langzamerhand gaat afvragen of het nu wel zo’n verstandig idee was om naar de rand van de Gobi, het Khangai Nuruu-gebergte en Harhorin, de oude hoofdstad waar ooit Chengis Khan zetelde, te fietsen.

Jongen in Mongolië kluistert een paard

Leermeester

Op fietsreisgebied was Mongolië een strenge leermeester, die mijn foutjes genadeloos afstrafte. Mijn lichtgewicht aluminium bagagedrager die ik bij het voorwiel had gemonteerd, brak na welgeteld één fietsdag doormidden. Alu is simpelweg niet bestand tegen de constante schokken die een rijwiel op Mongoolse wegen, ofwel trucksporen, moet ondergaan. De twee HEMA-waterzakken in mijn tassen hielden het één dag langer vol, daarna begonnen ze te lekken. Leuk voor op een Europese camping, maar ongeschikt voor een fietsexpeditie.

Vier Mongoliërs poseren bij mijn Snel-reisfiets

Kapotte items

De lijst van niet-functionerende items groeide gestaag aan. Fototoestel: kapot. Waterfilter dusdanig verstopt dat ik alleen met heftige pompbewegingen een glaasje helder water eruit kon persen. Na een paar dagen besefte ik ook dat ik in de hoofdstad Ulaanbaatar gewoon voor een week eten in had moeten slaan. Winkels waren hier schaars, logisch toch?

Het onvermogen om zelfvoorzienend te kunnen zijn, had ook een voordeel. Nu was ik aangewezen op de gastvrijheid van nomaden, die me keurig – zoals de traditie voorschreef – in hun ger (tent) uitnodigden en me voorzagen van melk, boter en soms paardenvlees. Dit was het Mongoolse leven in zijn essentie: moeder bij de stoof in het midden van de ger, het gezin eromheen, ik als gast op een stoeltje en twee grote waakhonden voor de opening van de tent. Driftig zochten de nomaden zinnetjes op in mijn Engels-Mongoolse taalgidsje, maar de enige vraag die ze echt wilden stellen, stond er niet in. Wat deed ik hier eigenlijk in mijn eentje?

Wodkaflessen

Goede vraag, waarop ik nog steeds geen antwoord heb. Ik fietste als een ongeleid projectiel over trucksporen, navigerend met behulp van weinig gedetailleerde pilotenkaarten en had opmerkelijke ontmoetingen met nuchtere, aangeschoten en stomdronken herders.

Onderweg liet ik een spoor van met water gevulde wodkaflessen achter, die steeds weer van mijn bagagedrager losraakten. Ik vervloekte de keren dat ik opnieuw zo’n gevonden fles moest vullen en was blij na vier weken de hoofdstad binnen te rijden. Gelukkig: eindelijk terug in de wereld van luxe hotelkamers en supermarkten. Na één dag had ik er alweer genoeg van. Ik laadde de tassen op mijn fiets voor een tweede ‘rondje over de steppen’ en trapte in een paar minuten de stad achter me weg.